De maatschappelijke instelling die mensen tot aan de moderne tijd in Europa
tegen honger en ellende beschermde was de meent oftewel de gemeenheid.
Dit was de gemeenschappelijke grond waarop ieder lid van de gemeenschap het
gebruiksrecht bezat.
De meent waarborgde het levensonderhoud, iedereen kon gebruik maken van de opbrengst,
al was het verboden om deze te verhandelen.
Men mocht niet meer nemen dan men nodig had om te overleven.
Bijzonder aan de meent was ook dat deze democratisch werd beheerd, men maakte
onderlinge afspraken om met elkaar rekening te houden.
Aan dit systeem kwam een eind toen aan de top van de samenleving een strijd
ontbrandde tussen de oude adel en de opkomende burgerij.
De adel voelde zich zo bedreigd dat zij de gemeenschappelijke gronden tot prive-eigendom
maakte, er een hek omheen zette en winst ging maken op de
opbrengst ervan.
In feite was dit weinig anders dan een revolutie van de rijken.
Aangezien een groot deel van het onteigende landvolk nu geen bestaansmiddelen
meer had waren er in Europa opeens overal armen.
Voortaan moesten zij door middel van loonarbeid in hun levensonderhoud voorzien
of waren zij afhankelijk van de staat.
Na het verdwijnen van de meent kreeg het begrip gemeenheid een negatieve betekenis,
voortaan betekende het ’laag’ ‘slecht’ of ‘kwaadaardig’.